De bocht van Brouns
Over hoe de BouwBoost een stap achteruit is ten opzichte van de vergunningenrevolutie
In december 2024 kondigde minister Brouns zijn vergunningenrevolutie aan. De ambitie was helder: “snellere procedures, meer voorspelbaarheid en maximale rechtszekerheid.” Het actieprogramma bevatte structurele maatregelen die dit moest waarmaken: een decretaal recht op vooroverleg, een attentieplicht zodat bezwaren meteen op tafel komen, en een hervormd beroepsrecht zodat alleen wie een concreet belang heeft nog procedure kan voeren.
De logica was consistent: minder interpretatie, meer voorspelbaarheid, rechtszekerheid voor iedereen.
En nu lanceert dezelfde minister de “BouwBoost”: projecten die kernen versterken krijgen een VIP-behandeling bij Departement Omgeving, het label “algemeen belang” waardoor ze makkelijker kunnen afwijken van regelgeving, en fiscale voordelen zoals opschorting van de leegstandstaks.
De belofte klinkt goed: snelheid en zekerheid voor wie “het goede” doet.
Maar het staat haaks op wat Brouns zelf beloofde. Want de vergunningenrevolutie wilde rechtszekerheid voor iedereen. De BouwBoost geeft voorrang aan sommigen. Dat is niet hetzelfde.
Rechter én partij
Dit patroon herken ik. Vorig jaar lanceerde Gent een Woonpact met exact dezelfde logica. Projecten die bijdragen aan betaalbaar wonen krijgen een fast lane, uitzonderingen op het bouwreglement, versoepeling van parkeernormen. De stad bepaalt wat als “betaalbaar” telt, welke projecten het woonpactlabel krijgen, welke uitzonderingen toelaatbaar zijn, en of het gerealiseerde project aan de voorwaarden voldoet.
Nu doet Brouns hetzelfde, maar op Vlaams niveau. BouwBoost-projecten krijgen privileges. Maar wie bepaalt welke projecten BouwBoost-waardig zijn? De overheid. Wie bepaalt hoeveel je mag afwijken van “verouderde regels”? De overheid. Wie controleert of het project uiteindelijk aan de voorwaarden voldoet? De overheid.
De overheid schrijft de regels van het spel én beoordeelt wie het mag spelen.
En vooral: wat als je geen BouwBoost-project bent? Dan loop je tegen dezelfde regelgeving aan, maar zonder de ondersteuning, zonder de VIP-behandeling, zonder de mogelijkheid om af te wijken. Is dat eerlijk? Of logisch?
De fundamentele vraag
Stel: je ontwikkelt geen betaalbaar wonen en je zit niet in een kernversterkingsproject. Je bouwt kwaliteitsvolle, marktconforme woningen. Of je wil een oud pand herbestemmen tot een co-working. Of een innovatief co-living concept.
Krijg je dezelfde ondersteuning? Nee. Mag je afwijken van verouderde regels? Nee. Krijg je VIP-behandeling? Nee.
Brouns creëert bewust een tweedeling. Sommige projecten verdienen voorrang. Dat kan je verdedigen — woningnood is urgent, kernversterking is belangrijk. Maar dan moet je eerlijk zijn over wat je doet: je creëert een systeem waarin onzekerheid gestratificeerd wordt. Als je in de goede categorie zit: minder onzekerheid. Als je daar niet in zit: alle onzekerheid blijft.
Wat Brouns niet oplost
De vergunningenrevolutie beloofde voorspelbaarheid. Eén geïntegreerd advies per dossier. Een attentieplicht zodat alle argumenten meteen op tafel komen. Een beroepsrecht dat beperkt wordt tot wie een concreet belang heeft.
Dat zijn maatregelen die interpretatie beperken.
De BouwBoost doet het omgekeerde. BouwBoost-projecten mogen “eenvoudiger afwijken op verouderde regels”. Maar wat zijn verouderde regels? En hoeveel mag je afwijken? Is de spanning tussen bouwblokvisie en verordening opgelost? Nee. Is “stedenbouwkundig inpasbaar” helderder geworden? Nee. Weten we nu wat een “redelijk verdedigbare” parkeernorm is? Nee.
Brouns geeft BouwBoost-projecten een vrijbrief om te onderhandelen. Maar de onderhandelingsruimte zelf wordt niet helderder.
Sterker nog: de BouwBoost introduceert nieuwe interpretatiemarges. “Maatschappelijke afweging” — hoe zwaar weegt woningnood versus buurtkarakter? “Algemeen belang” — welke projecten krijgen dit label en wie beslist daarover? “Bouwshiftconvenant” — welke voorwaarden komen erin en wat als een project afwijkt tijdens uitvoering?
De vergunningenrevolutie wilde minder grijze zones. De BouwBoost creëert er nieuwe.
Het verschil met brownfield
Brouns vergelijkt de BouwBoost met het brownfieldconvenant. Dat is een succesverhaal, terecht. Maar er is een cruciaal verschil.
Bij brownfields was het criterium objectief: je bodem is vervuild of niet. Dat is meetbaar. Er is geen interpretatie over of je project “brownfield genoeg” is.
Bij BouwBoost is het criterium subjectief: “herontwikkeling die maatschappelijk wenselijk is”. Wat betekent dat? “Bijdragen aan leefbare kernen” — hoe meet je dat? “Goede kwaliteit” — wie oordeelt?
Bij brownfield was het criterium helder. Bij BouwBoost is het criterium... interpretatie.
En dat opent de deur naar willekeur. Ik zie het in mijn praktijk: vergelijkbare projecten die radicaal andere behandeling krijgen — niet omwille van inhoud, maar omwille van context, contacten, timing. De BouwBoost maakt dit niet kleiner. Het vergroot het.
De paradox
De vergunningenrevolutie bevat een maatregel die ik sterk vind: het decretaal recht op vooroverleg voor iedereen. Knelpunten vroeg opsporen, plannen bijsturen vóór de formele aanvraag. Dat is de goede richting.
Maar de vergunningenrevolutie zet ook een andere deur op een kier. Door omgevingsmanagers vanuit de overheid toe te wijzen aan complexe projecten, ontstaat al een eerste onderscheid: sommige projecten krijgen actieve begeleiding, andere niet.
De BouwBoost wandelt door die deur. Hij maakt van die selectieve ondersteuning een expliciet systeem: wie het label krijgt, krijgt een omgevingsmanager, VIP-behandeling bij Departement Omgeving, en de mogelijkheid om af te wijken van regelgeving. Wie het label niet krijgt, heeft recht op vooroverleg — maar is verder op zichzelf aangewezen.
Brouns creëert zo een systeem met twee snelheden, terwijl zijn eigen vergunningenrevolutie universele rechtszekerheid beloofde.
Het vooroverleg is voor iedereen. De ondersteuning niet. En dat verschil is groter dan het lijkt.
Conclusie
De ironie is dat de BouwBoost precies datgene dreigt te torpederen wat Brouns wilde veiligstellen: de rechtszekerheid. Wie met vage labels als ‘algemeen belang’ zwaait om voorkeursbehandelingen uit te delen, organiseert in de praktijk geen versnelling, maar juridisch drijfzand. Het is een open uitnodiging voor procedures, want willekeur is de vijand van elk robuust vergunningenbeleid. De ‘bocht van Brouns’ leidt ons zo niet naar een snellere bouwwerf, maar terug naar de mist van bestuurlijk favoritisme. En in die mist wordt er zelden vlot gebouwd.
Het aanbod
Wie geen label krijgt, moet zijn dossier zelf hard maken tegenover een overheid die de regels onderweg bijstelt. Daar gaat mijn aanbod over: de onderhandelingsruimte benoemen en er een verdedigbaar project van maken.
Naar het aanbod →De weg uit de wooncrisis
Waar dit stuk toont hoe beleid van richting verandert, gaat dat stuk over wat er dan wél werkt om woningen gebouwd te krijgen.
Naar nr 08 →